‘Het is eigenlijk gek’, zegt kinderradioloog Marjolein Dremmen. ‘In de buik van de moeder wordt de groei van de hersenen nauwkeurig in de gaten gehouden met echografie. En ook bij volwassenen weten we, bijvoorbeeld door dementieonderzoek, hoe de hersenen zich over tijd ontwikkelen op hersenscans. Maar gedegen informatie over hoe de hersenen zich op beeldvorming ontwikkelen tussen 0-18 jaar ontbreekt. Zodra de baby’s uit de buik komen is het een zwart gat.’
Daarom brachten Dremmen en prof. Meike Vernooij de ontwikkeling van verschillende hersenonderdelen op beeldvorming in kaart. Dat deed ze op basis van MRI-scans uit Generation R, waarbij kinderen gedurende hun jeugd worden gevolgd – al bijna 25 jaar. Hiermee kon Dremmen groeicurven opstellen van kinderen met een gezonde hersenontwikkeling en deze vergelijken met hersenscans van kinderen met vroeggeboorte, MS of sikkelcelziekte. De resultaten publiceerde ze in The Lancet Medical Imaging & Theranostics.
Zeker weten
Tijdens haar werk komt Dremmen de vraag regelmatig tegen: ‘Lijkt dit hersengebied niet een beetje klein?’ Ze hoort hem bijvoorbeeld tijdens een multidisciplinair overleg, als artsen samenkomen om te bespreken wat er precies met een patiënt aan de hand is: ‘Is er nou daadwerkelijk een verminderd volume van bepaalde hersengebieden te zien is, of lijkt het maar zo?’
‘Echt zeker weten doen we het niet’, legt Dremmen uit. ‘Wat er ontbrak, waren groeicurven, net zoals bij het consultatiebureau.’ Daarmee kunnen artsen de hersenscans vergelijken met die van gezonde kinderen.

Marjolein Dremmen, foto Esther Morren
De nieuwe groeicurven moeten inzicht geven in hoe de hersenen van kinderen groeien. Die worden nu nog niet in de dagelijkse praktijk gebruikt, maar als het aan Dremmen ligt in de toekomst wel. ‘Zoals ik het voor me zie, halen we dadelijk een MRI-scan door software. Die maakt dan automatisch een volumeberekening van de verschillende hersengebieden en vergelijkt ze met de groeicurves van de te verwachten hersenontwikkeling van het kind.’
Objectieve reden
Dat kan volgens Dremmen een krachtig handvat zijn. ‘Stel we hebben een kind waarbij de coördinatie wat minder gaat, maar we weten niet waarom. Nu kijken we naar een scan, en dan denken we: “Het cerebellum is misschien wat minder groot dan bij de te verwachten ontwikkeling.” Dan is het wel fijn om dat zeker te weten.’
‘En natuurlijk heb je dan maar één tijdsopname en weet je nog steeds niet meteen wat er aan de hand is. Maar dan heb je wel een objectieve reden om te zeggen: “Volgens mij is dit niet helemaal okay, dit gaan we in de gaten houden.” Of juist: “Hier is niets aan de hand, we moeten het ergens anders zoeken.’’’
Houvast
Voor ouders van kinderen waarvan het nog niet duidelijk is wat er precies aan de hand is, kan het heel fijn zijn om een beetje houvast te hebben, merkt Dremmen. ‘Het is toch fijner om niet volledig in het duister te tasten. Het wil nog niet zeggen dat er gelijk een oplossing is, maar het kan natuurlijk wel een klein stapje richting een diagnose zijn.’
‘Het is fijn om niet volledig in het duister te tasten’
Drie patiëntgroepen lichtte Dremmen eruit: kinderen die te vroeg geboren waren, kinderen met MS en kinderen met sikkelziekten. ‘Het is eigenlijk een soort proof-of-concept: zien we bij kinderen waarvan we weten dat ze afwijkende hersenstructuren hebben dan ook echt een afwijking van de te verwachten groeicurven? En het antwoord is; ja dat zien we.’ Zo was bij kinderen met MS te zien dat de thalamus, of hoe Dremmen het noemt het schakelstation in de hersenen, kleiner is. ‘Dat kunnen we wellicht ook inzetten als marker om te testen hoe een behandeling het doet.’
Complexe zorg
Als universitair medisch centrum richt het Erasmus MC zich op patiënten die complexe zorg nodig hebben en op patiënten met een zeldzame aandoening. Voor die patiënten beschikken wij over de specifieke expertise en voorzieningen. Zoals beschreven in Koers28, de strategie van het Erasmus MC.