Coverstory

Geneesmiddelen m/v

‘Vrouwen slikken meer medicijnen dan mannen’. Waar of niet waar? Ziekenhuisapotheker en klinisch epidemioloog dr. Loes Visser velt een oordeel over deze en vier andere stellingen.

7 likes
Leestijd 6 min

Hero alt/video title

Pillen-Studio-1013-11

Medicijnen worden voornamelijk op mannelijke proefdieren en proefpersonen getest

“Tot de jaren negentig was het inderdaad zo dat de meeste geneesmiddelen werden getest op mannen, maar daarna werden de ICH- richtlijnen (International Conference on Harmonisation of Technical Requirements for Registration of Pharmaceuticals for Human Use) ingevoerd. Die richtlijnen zijn bedacht om alle onderzoeken naar geneesmiddelen (klinische trials) wereldwijd aan dezelfde regelgeving bloot te stellen. Er staat bijvoorbeeld in dat de trial een goede afspiegeling moet zijn van degenen die het geneesmiddel gaan gebruiken. Er staat ook in dat in studies waarbij het medicijn voor de eerste keer in mensen wordt getest, apart moet worden gerapporteerd over de resultaten bij vrouwen en mannen, zodat het verschil in effectiviteit en bijwerkingen tussen de geslachten duidelijk wordt vastgelegd. Bij onderzoek naar geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk, diabetes en hepatitis blijken vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd te zijn, maar bij de meeste andere klinische trials zijn er geen duidelijke verschillen in aantallen mannen en vrouwen. Wel is opvallend dat slechts 40% van de Europese studies zich houdt aan de regel om aparte rapportages te maken voor de effecten bij vrouwen en mannen.”

Conclusie: de stelling is niet waar

Vrouwen slikken meer medicijnen dan mannen

“Vrouwen blijken inderdaad meer medicijnen te gebruiken dan mannen. Dat verschil is op jonge leeftijd niet zo groot, maar het neemt toe naarmate de patiënten ouder worden. Een man krijgt gemiddeld 6,6 receptgeneesmiddelen per jaar, een vrouw 9,5. Slaapmiddelen, antidepressiva en pijnstillers worden vaker aan vrouwen voorgeschreven. Middelen tegen ADHD en jicht en cholesterolverlagers worden juist vaker aan mannen voorgeschreven. Maar waar het eigenlijk om gaat: krijgen mannen en vrouwen bij dezelfde ziekte ook dezelfde medicatie? Wat geeft een huisarts bijvoorbeeld aan een patiënt met hoge bloeddruk? Er wordt bij vrouwen veel vaker een plaspil voorgeschreven en bij mannen voornamelijk ACE-remmers (verwijden de bloedvaten, red.) of calciumantagonisten (verminderen de samentrekking van de hartspier, red.). Dat is heel bijzonder, want dat staat niet in de behandelrichtlijnen. Waarschijnlijk baseren de huisartsen het verschil op basis van bevindingen in hun praktijk.”

Conclusie: de stelling is waar

 

Mannen reageren heel anders op geneesmiddelen dan vrouwen

“Een grote analyse naar de effecten van bloeddrukverlagende middelen laat zien dat mannen niet anders op die medicijnen reageren dan vrouwen. Er zijn een paar uitzonderingen: calciumantagonisten blijken bij mannen beter te werken dan bij vrouwen, dus dat onderstreept het beleid van huisartsen om deze middelen vooral bij mannen voor te schrijven (zie Stelling 2). Statines (een cholesterolverlagend middel, red.) bieden mannen die nooit eerder hart- en vaatziekten hebben gehad, bescherming tegen een hartinfarct.

Bij vrouwen is dit beschermend effect niet waargenomen. Ook dit verschil zien we terug in het voorschrijfgedrag van de huisarts (zie Stelling 2). Maar verder blijken de verschillen in effectiviteit tussen mannen en vrouwen niet groot te zijn.”

Conclusie: de stelling is meestal niet waar

 

Bij vrouwen beschermt aspirine tegen een herseninfarct, maar niet tegen een hartinfarct

“Aspirine blijkt bij vrouwen inderdaad te beschermen tegen een eerste herseninfarct, maar niet tegen een eerste hartinfarct. Bij mannen zie je precies het tegenovergestelde.”

Conclusie: de stelling is waar

 

Vrouwen belanden vaker in het ziekenhuis vanwege een bijwerking dan mannen

“Vrouwen hebben 60% meer risico op het krijgen van bijwerkingen dan mannen. Dat verschil wordt deels verklaard door een hogere leeftijd, een lager lichaamsgewicht of het feit dat vrouwen meer medicijnen slikken. De meeste bijwerkingen worden gezien bij de cardiovasculaire geneesmiddelen. Bij acht van de tien geneesmiddelen die in de Verenigde Staten uit de handel zijn genomen vanwege ernstige bijwerkingen, zijn die bijwerkingen waargenomen bij vrouwen. Het ging dan vooral om hartritmestoornissen en leverfalen. Vanuit mijn eigen onderzoeksafdeling is aangetoond dat vrouwen vaker dan mannen in het ziekenhuis worden opgenomen vanwege bijwerkingen van plaspillen (bijvoorbeeld hartritmestoornissen, verwardheid en spierslapte door een te laag natrium- of kaliumgehalte in het bloed, red.). En digoxine, een middel tegen hartfalen, wordt bij vrouwen 40% vaker in een te hoge dosis voorgeschreven. In de behandelrichtlijn van digoxine staat niet ‘houd rekening met het geslacht van de patiënt’, maar misschien zou dat wel moeten.”

Conclusie: de stelling is waar

 

Tot slot

“De verschillen tussen mannen en vrouwen kunnen voor een deel verklaard worden door de farmacokinetiek: hoe gaat het lichaam om met het geneesmiddel? Hoe wordt het uitgescheiden? Bij vrouwen verdwijnen geneesmiddelen trager uit de maag en worden ze langzamer uitgescheiden via de nieren. Vrouwen hebben meestal een lager lichaamsgewicht dan mannen. Daar wordt in de dosering weinig of geen rekening mee gehouden. Het verschil in vetpercentage speelt ook een rol. Vrouwen hebben een hoger vetpercentage, waardoor een middel dat in vetweefsel wordt opgeslagen, zoals het slaapmiddel valium, bij vrouwen langer zal doorwerken. Daarnaast zijn er bij mannen en vrouwen verschillen in de farmacodynamiek: hoe werkt het geneesmiddel? Verschillen in hormonen kunnen daarbij een rol spelen, maar ook de mate waarin een geneesmiddel een bepaalde route activeert of remt kan tussen mannen en vrouwen anders zijn.

Verder gebruiken vrouwen beduidend meer medicijnen dan mannen, en dat kan leiden tot interacties tussen de middelen, waardoor de werking van een geneesmiddel verandert.”

 

Dr. Loes Visser is ziekenhuisapotheker en klinisch epidemioloog bij het Erasmus MC. Ze combineert haar werk als apotheker met het verrichten van onderzoek. Ze is vooral geïnteresseerd in de diversiteit in de respons op geneesmiddelen, bijvoorbeeld door verschillen in DNA, leeftijd, of geslacht.