Actueel

Het beste voor de bevolking

Europese landen leren van elkaar. Europese landen kunnen levens redden. Hoe? Door de aanpak en uitkomsten van hun bevolkingsonderzoeken naar borst-, baarmoederhals- en dikke-darmkanker met elkaar te delen en zo te leren wat het best werkt. Het programma Horizon2020 maakt dit mogelijk.

7 likes
Leestijd 3 min

Hero alt/video title

darmkankeronderzoek

Twee buurlanden, een groot verschil. Terwijl Nederlandse vrouwen tussen de dertig en zestig om de vijf jaar een oproep ontvangen voor het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker, wordt Duitse dames gevraagd jaarlijks het benodigde uitstrijkje je te laten maken. Leidt dit ertoe dat de ziekte bij onze Oosterburen relatief vaker vroegtijdig wordt ontdekt? En zo ja, is de gezondheidswinst groot genoeg om te rechtvaardigen dat miljoenen Duitse vrouwen een flinke extra belasting ondergaan, zowel lichamelijk als mentaal? Of zou Duitsland misschien beter het Nederlandse voorbeeld kunnen volgen en daarmee bovendien goedkoper uit zijn, zoals eerder Rotterdams onderzoek lijkt uit te wijzen?

Eerder behandelen

EU-TOPIA, mogelijk gemaakt door het programma Horizon2020 van de Europese Unie, moet licht werpen op dit soort kwesties. Europese landen en een aantal landen daarbuiten kunnen vanaf 2020 leren van elkaar. De afdeling Maatschappelijke GezondheidsZorg (MGZ) van het Erasmus MC leidt het onderzoek, dat volgens Harry de Koning zowel qua grootte als ambitie bijzonder is. Hij is hoogleraar Maatschappelijke Gezondheidszorg en Evaluatie van vroeg-opsporing van ziekten.

De Koning: “Bij veel ziekten denk je aan iemand die klachten krijgt, daarmee naar de dokter gaat en hoopt dat de ziekte goed kan worden behandeld. Maar sommige aandoeningen kunnen al worden waargenomen voordat de persoon er last van krijgt. Artsen gaan er bijvoorbeeld van uit dat borstkanker misschien wel vier jaar eerder te ontdekken is, darmkanker mogelijk tien jaar en baarmoederhalskanker wellicht vijftien jaar eerder. Daarom organiseren alle Europese landen bevolkingsonderzoeken naar borst- en baarmoederhalskanker.

De meeste landen doen dat inmiddels ook voor dikke-darmkanker. Want hoe vroeger je een ziekte opspoort, hoe sneller je kunt beginnen met de behandeling en hoe groter de slagingskans daarvan.”

‘Minder borst-, baarmoederhals en dikke-darmkanker’

Andere leeftijden

Voor bevolkingsonderzoeken bestaat niet één standaard. Bij het onderzoek naar dikke-darmkanker hanteert ons land bijvoorbeeld de Fecal Immunochemical Test – in de volksmond: de poeptest – terwijl elders de endoscoop gangbaar is. En in het ene land roept de overheid burgers op een jongere leeftijd op voor een bevolkingsonderzoek dan in het andere land.

De Koning: “Die verschillende benaderingen leveren vanzelfsprekend ook afwijkende resultaten op. Neem België. Nog geen veertig procent van de opgeroepen vrouwen doet er mee aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker. In Nederland is dat bijna tachtig procent. Dat komt vermoedelijk door onze strakkere manier van organiseren.

In Nederland wordt een mammogram (afbeelding van de borstklier, red.) in principe gemaakt tijdens het bevolkingsonderzoek, terwijl het in België ook kan in bijvoorbeeld het ziekenhuis of bij de huisarts.”

Het is niet de bedoeling dat landen het vingertje heffen of zichzelf op de borst slaan, maar duidelijkheid over dit soort verschillen kan er wel toe leiden dat ze leren van elkaar. De Koning: “Via EU-TOPIA weten Belgische beleidsmakers straks bijvoorbeeld: dankzij ons bevolkingsonderzoek is dit jaar bij 400 vrouwen voorkomen dat ze overleden aan borstkanker, maar als we het zo hadden georganiseerd als Nederland, waren het er duizend geweest.”

Wereldwijde reputatie

Sinds de jaren tachtig heeft de afdeling MGZ van het Erasmus MC een wereldwijde reputatie opgebouwd met de ontwikkeling van computermodellen die de gevolgen van bevolkingsonderzoeken cijfermatig vaststellen. Als het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en

Sport in patiëntfolders meldt dat het Nederlandse borstkankerscreeningsprogramma jaarlijks bijna duizend vrouwen het leven redt, is dat gebaseerd op Rotterdams onderzoek. De Koning: “Sinds EU-TOPIA in 2015 is begonnen, zetten we nieuwe stappen. Drie PhD studenten – Nadine Zielonke, Andrea Gini en Erik Jansen – ontwikkelen computermodellen voor de drie ziektes. Die moeten de deelnemende landen vanaf 2020 allereerst antwoord geven op de vraag: voorkomen onze bevolkingsonderzoeken daadwerkelijk sterfte? En als dat niet het geval is of als de voorkomen sterfte minder hoog is dan in andere landen, wat kan dan worden overgenomen uit die landen om het beter te doen? Ik sluit bijvoorbeeld niet uit dat Nederland bij het dikke-darmonderzoek zaken gaat opsteken van landen die hiermee al langer bezig zijn. Al met al willen we dat bevolkingsonderzoeken nog meer overlijdensgevallen voorkomen, mensen zo weinig mogelijk belasten met bijvoorbeeld over-diagnostiek en dat de onderzoeken zo kostenefficiënt mogelijk worden uitgevoerd.”